Wij tweetjes en meer

Mijn allerliefste tante is overleden. Bijna negentig werd ze. Vlak voor haar dood zocht ik haar op, in het Deventer ziekenhuis. De volgende dag zou ze naar huis gaan, want revalideren, dat wilde ze niet. Euthanasie evenmin. Dan maar niet meer eten, want genoeg is genoeg.

Als ik haar eenpersoonskamer binnenstap schrik ik nogal: tante ligt helemaal haaks in bed, half over de rand hangt ze, met één hand vastgeklonken aan de papegaai boven haar bed, alsof ze op zoek is naar iets op de grond. Met haar vrije hand maakt ze wilde gebaren, en ze praat tegen ik heb geen idee wie. Tante schrikt net zo hard van mij als ze me ziet. Moeizaam hijst ze zich terug de kussens in.

We zijn allebei nog een beetje aan het bekomen als de dokter binnenstapt, samen met een collega. Hij geeft eerst mij en daarna tante een hand en zegt dan vriendelijk: `Het is allemaal geregeld, mevrouw, u mag morgenvroeg met de ambulance naar huis.´ Daarna overlegt hij nog wat met zijn collega, over tantes bed heen, en dan verdwijnen ze weer.

Ze staart me beduusd aan. Lijkt in de war. Van mij, aan haar bed, van de dokters, van die boodschap. Door alle commotie heb ik haar nog steeds niet dag gezoend. Eerst maar eens een stoel aanschuiven naast haar bed. Nu kijkt ze me pas echt goed aan. `Lies?? Maar de meisjes zouden komen! Ik ga vandaag naar huis!’ Ik leg haar rustig uit wat ik vanmorgen van haar dochter heb begrepen. Dat het allemaal een beetje veranderd is, dat ze pas morgen gaat omdat er thuis nog wat moest worden voorbereid.
Dan onderbreekt ze me ineens, en zegt verontwaardigd: `En wordt er tegenwoordig niet meer gezoend?’ Ik lach, pak haar beet bij haar knokige schouders, en zoen haar op haar ingevallen wangen zoals wij dat gewend zijn, zij het wat voorzichtiger, vanwege het plastic neusbrilletje met zuurstof dat toch al gevaarlijk scheef in haar neusgaten bungelt.

Uiteindelijk zit ik twee uur aan het bed van mijn tante. Zij, zo lijkt het, verkeert die uren in twee verschillende werkelijkheden tegelijk: in de onze, en in een heel andere, waar ik niet in pas. Alsof ze met één been al is overgegaan.

Is ze in de mijne, dan is alles gewoon. Tante spreekt in volkomen heldere woorden en zinnen. Over vroeger. Over haar ziek zijn nu. Over die kapotte telefoon thuis. Met een loep kijken we samen naar een paar foto’s van vroeger die ik voor haar heb meebracht. Over de lol die we hebben gehad. Over dat ze zo’n goed leven heeft gehad. Over het paradijs waar ze nu naartoe gaat, en waarvan ze niet snapt dat iemand daar bang voor zou kunnen zijn. Tussendoor geef ik haar een beetje water uit haar tuitbeker voor haar droge mond. Ze heeft liever een rietje, zegt ze, zoek maar, daar, in het laatje. Soms wrijft ze te wild langs haar neus, dan moet ik haar brilletje terugzetten, want zonder zuurstof gaat ze dood, grapt ze. Met onverwachte kracht geeft ze zo nu en dan een stevige slinger aan de papegaai boven haar hoofd. Alles precies zoals ik haar ken.

Maar tussendoor dwaalt ze elders. Dan tuurt ze door het raam naar het groene weiland met de paarden – kijk toch eens hoe prachtig daar, dat paradijs! Heel vaak houdt ze haar blik strak gericht op het plafond, of misschien – ik weet dat niet – wel op iets daar dwars doorheen. Hoe dan ook, wij tweetjes lijken die middag geregeld met veel meer, daar in die kleine ziekenhuiskamer. En zij, zij ziet ze allemaal. Alle geliefde dierbaren die haar – korter of veel langer geleden – zijn voorgegaan in de dood en die ze zo verschrikkelijk heeft gemist. Ze zijn er opeens, en ze praat ertegen, kijkt naar taferelen die ik niet kan zien. Zo vraagt ze bijvoorbeeld opeens bezorgd aan mijn allang overleden vader: `Ab, heb jij geen last van die rook?’ Tevergeefs kijk ik mee, maar ik zie niks. Dat zeg ik haar, dat zij veel meer kan zien dan ik, nu. Ze lacht me toe: `Inderdaad, want je denkt toch zeker niet dat ik gek ben?’ Soms zit ik in de weg, dan vraagt ze of ik een beetje op kan schuiven, zodat ze ook haar zus kan zien. Dan weer fronst ze moeilijk haar voorhoofd, alsof ze in deverte iets probeert te lezen. Ik vraag haar wat ze ziet. `Een bordje’, zegt ze, ‘met Kom nu maar gauw.’

Tante kijkt me plotseling bezorgd aan. `Lies, ik ben zo ontzettend bang dat de meisjes mijn huis nu voor niks in orde maken, dat ik morgen waarschijnlijk niet eens meer haal. Ik heb vandaag al twee keer heel sterk dat gevoel gehad van, oeps, daar ga ik!’ Het klinkt helemaal niet eng, hoe ze dat zegt. Eerder opgewonden en nieuwsgierig, alsof ze in blijde afwachting is van wat komen gaat. Als een kind, dat voor het eerst de glijbaan af mag, oeps, haar paradijs in.

We nemen afscheid. Ze drukt me op het hart dat ik Willem moet groeten. ‘Niet vergeten, hoor!’ Ik beloof het haar, en ik vraag of zij dan op haar beurt iedereen daarginds mijn lieve groeten wil doen. Dat zal ze, verzekert ze me.

Ik kan geen verdriet voelen als ik haar kamer uit loop. Hooguit weemoed, van alweer een verhaal dat definitief uit is straks. Tegelijkertijd tilt haar rotsvaste vertrouwen op een prachtige toekomst me een beetje op. Ik put er op een bepaalde manier troost uit, ook al is haar geloof heel anders dan het mijne. En voor de rest kan ik haar alleen maar toewensen dat het gauw zover mag zijn.

De volgende ochtend krijg ik een telefoontje. Tantes voorgevoel bleek te kloppen. Die nacht is ze in haar slaap en in het bijzijn van ‘haar meisjes’ vredig weggegleden.

Oeps, daar ging ik, Lies, hoor ik haar zachtjes fluisteren.

Dag lieve tante, fluister ik terug.

Wil je reageren? Dat kan via contact.