Helpende hand

Ze spreekt haar dode dochter, zo lijkt het soms, misschien zelfs vaker dan bij leven. In een eigen taal vol raadselachtige tekens, symbolen, kleuren en getallen vinden ze elkaar daarin. Het is een taal die geen boodschap heeft aan de dood, ze houdt zowel haar dochter als zichzelf ermee in leven, in een soort tussenbestaan.

Sinds de zelfdoding van haar kind is haar eigen leven uit een andere stof geweven: zwaarder en donkerder dan voorheen, en van een stevige draad omdat een fijnere het zou begeven.

De laatste paar jaar vullen schelle, vrolijke kleinkinderstemmetjes wekelijks haar huis. Hoe blij en dankbaar ze ook is om dit nieuwe geluk in haar leven, het lukt haar niet er vrijuit van te genieten. Haar vreugde echoot haar verdriet. Te hard leerde ze misschien de kwetsbaarheid van geluk kennen. Te goed herinnert ze zich hoe je ruw uit handen kan worden geslagen wat je zo innig lief hebt gehad. Het is of ze het licht in haar leven niet goed meer kan verduren. Of misschien vindt ze dat ongepast, trouw als ze is aan haar rouw en haar dochter.

Op een avond brengt ze een oude vakantiefoto mee. Het is een ontroerend beeld van haarzelf en haar drie kinderen, uit betere tijden. In een mooi landschap zie ik haar staan: tot aan de knieën in het water, licht voorovergebogen, een beetje wankel en onzeker. Naast haar, iets hoger op de kant, staat haar overleden dochter. Stevig op haar benen. Niets aan haar verraadt de psychische nood die haar te wachten staat. Ze ziet er jong en stralend uit. Liefdevol reikt ze haar moeder een helpende hand vanaf de oever.

Het beeld raakt me. Het is of ik de dochter in het uitreiken zachtjes iets hoor fluisteren. Hier en nu, in de ruimte waarin we ons samen bevinden. Alsof ze zegt: ‘Toe nou, lieve mama, kom nu maar. Je hebt daar lang genoeg gestaan. Hier, pak mijn hand, dan help ik je de kant op, terug het leven in.’

Wil je reageren? Dat kan via contact.