Zeg me, hoe lang nog?

Hij kijkt me aan met een blik die het midden houdt tussen radeloze wanhoop, verdriet en razernij. Bijna dwingend vraagt hij me: ‘Hoe lang nog, zeg me, hoe lang nog, deze hel? Komt hier ooit een einde aan? Het lijkt wel of ik er alleen maar dieper in wegzak …’

Ik hoef hem niet uit te leggen dat ik geen geruststellend antwoord bezit. Dat weet hij zelf maar al te goed. Dat geen mens de duur en diepte van zijn rouw voor hem in kaart kan brengen. Dat er niet zoiets bestaat als een vaste rouwmaat voor het verlies dat hem zo genadeloos hard trof. Hij weet het. Net zo goed als hij weet dat er geen antwoord bestaat op zijn brandende vraag waarom zijn zoon moest doen wat hij deed.

Nee, deze vader verwacht geen antwoord van me. Hij wil zijn vraag alleen maar hardop kunnen uitroepen bij een ander, om er voor één moment niet zo godvergeten alleen mee te zijn. Dus zitten we een tijdje samen rond zijn vraag. Verkennen we die, in al z’n rauwe pijnlijkheid. Dat alleen al lijkt hem iets van lucht te geven.

De dagen daarna trilt zijn vraag – meer in het algemeen nu – nog wat na. Is rouw eindig? Of gaat rouw nooit meer over? Ik lees en hoor het eigenlijk best vaak, die laatste opvatting: dat rouwen een levenslang proces zou zijn. Op de een of andere manier heeft die gedachte me nooit erg aangesproken. Ik vind het geen troostrijk alternatief voor de achterhaalde opvatting dat er voor rouw een bepaalde tijdsduur zou bestaan.

Acht ik mezelf, zeven jaar na Judiths dood, nog in rouw? Nee, weet ik tot mijn grote opluchting heel zeker. Gelukkig niet. Dat grondeloze gevoel van gebrokenheid ging voorbij. Die bel van verdriet waarin een mens in rouw zich zo opgesloten en eenzaam kan voelen, losgeslagen uit de tijd en het voortrazende leven om zich heen, die bel spatte uiteindelijk uiteen. Ik voelde na een tijdje opnieuw verbinding, en voldoende grond onder mijn voeten om op voort te gaan.

Wat wél bij me bleef – en wat voor mij best levenslang mag duren – is de weemoed van het missen: het is dat vaak onaangekondigde, hartstochtelijke verlangen naar ‘konden we nog maar één keer samen’, gevolgd door de verdrietige conclusie van ‘nee dus, nooit meer’. De weemoed van het missen ervaar ik heel anders dan de rouw: weemoed verbindt juist en bevangt me eerder met de warmte van de liefde dan met de kou van het verlies.

Ik kan onmogelijk zeggen waar dat pijnlijke rouwen precies is opgehouden. Evenmin hoe, of waardoor. Ik kan alleen maar achteraf constateren dat het ergens onderweg gebeurd moet zijn: dat de mist optrok, waardoor ik weer zicht kreeg en mijn weg kon vervolgen.
In een volstrekt ander landschap, dat wel. Maar toch, vervolgen.

Wil je reageren? Dat kan via contact.