Het wel en wee van missen

Missen heeft tegenwoordig iets dubbels voor mij: ik ervaar het als prettig en pijnlijk in-een. Het doet een beetje denken aan ‘heim-wee’ misschien, dat die twee letterlijk in zich herbergt: de zoete herinnering aan een thuis of heim, én het wee van niet of nooit meer.

Een voorbeeld van missen.
Soms mis ik onze telefoontjes. Dan kan ik er opeens naar hunkeren dat ik haar nog één keertje bellen kan. Of zij mij. Zomaar, zoals we dat zo vaak deden, ook of juist als er niks te bellen viel. Ik mis dan dat gewone, vanzelfsprekende contact.
Bij gebrek aan beter haal ik ze op zo’n moment dan maar voor de geest, die telefoontjes van toen. Ik stel ze me zo levendig mogelijk voor: hoe de telefoon overgaat, hoe het tijdstip al verklapt dat zij het wel zal zijn, hoe ik dat pas zeker weet als ik haar nummer herken en opneem – hoi Liesje – hoe we lang kletsen over alles en niks.

Langs de weg van de verbeeldende herinnering brengt het missen me zo moeiteloos terug naar waar de dood nog niet meedogenloos tussen ons in stond. Ik fantaseer hem weg, de dood, net als de tijd, de jaren die sindsdien al zijn verstreken. Voor een moment zijn ze er niet, en dat is heerlijk. Gulzig laaf ik me aan wat ik mis.
Net zo lang tot ik ze bijna kan horen: haar stem, haar lach.

Bíjna …

Wil je reageren? Dat kan via contact.