Liefde als sleutel

Onlangs kwam ik in het boek Mijn heldere afgrond van Christian Wiman het volgende fragment tegen over rouw. In heel zijn confronterende waarachtigheid tegelijkertijd zo zacht en troostrijk, waar de liefde ons enige antwoord op verlies is:

‘Op de een of andere manier, zelfs diep in het binnenste van extreme rouw, is de ergste pijn het weten dat je pijn zal overgaan, alle scherpe bijzonderheden die iemand aanwezig hebben kunnen stellen, zullen opgaan in zuivere herinnering, en vervolgens zelfs dat niet. Daarom vechten veel mensen ervoor om hun wond vers te houden, want in de wond is tenminste het verlies, en in het verlies is tenminste het leven dat je deelde. Of zo lijkt het.
In werkelijkheid werd het leven dat je deelde, omdat het gedeeld werd, getekend door geluk, door licht. Gewiegd door eenzaamheid, wordt het leven zuiver verdriet, zuiver schaduw, en dat is niet simpelweg een probleem voor het heden en de toekomst, maar ook voor het verleden. Excessief verdriet, van de soort die iemand verlamt, en die uiteindelijk iemands hele persoonlijkheid wordt – doet uiteindelijk geen recht aan de liefde die er de oorsprong van is. (Is, niet was: onze doden zijn aanwezig.) Je hoeft niet te geloven in een letterlijke hemel om te voelen hoe de doden intrek in ons nemen – voorgoed, als we hen toelaten, wat wil zeggen, paradoxalerwijze, als we ze laten gaan. […] Wat ik weet of voel, is dat binnen de liefde die eens de wereld voor je geopend heeft – vanaf de geboorte van een kind, tot het vinden van je partner – een sleutel is waarmee je weer terug de wereld in kunt, wanneer de liefde is heengegaan.’

(Uit: Mijn heldere afgrond van Christian Wiman, p. 172-173)