Klaas

Een vriend van een vriendin, laten we hem Klaas noemen, kwijnt al maanden eenzaam weg in zijn huis.

De gordijnen gaan nauwelijks nog open. De pyjama blijft meestal aan. Hij rookt en drinkt zich letterlijk dood – dat is ook wat hij hoopt – en voor de rest slaapt hij, of staart wezenloos voor zich uit naar de tv zonder iets in zich op te kunnen nemen. De wereld en hij, ze zijn uiteengevallen.

Bezoek van familie of een enkele vriend of vriendin houdt hij af. Uit schaamte misschien. Of uit schuldgevoel, omdat hij anderen al zolang met zijn zwaarte belast. Of omdat hij alle hoop heeft opgeven. Op apps reageert hij nog maar een enkele keer, met een enkel woord.

Wat is er toch met Klaas aan de hand?

Hij lijdt aan een ernstige depressie. Al heel veel jaren lang. Psychologen, psychiaters, opnames, medicijnen… Hij heeft alles geprobeerd, maar uiteindelijk bracht niets hem de verlichting waarop hij zo heftig hoopte. En nu wil Klaas alleen nog maar dood. Hij wil dat er een eind komt aan zijn gifzwart lijden. Maar zelfs hulp vragen daarbij of de hand slaan aan zichzelf vallen hem te zwaar.   

Vanmorgen sprak ik met die vriendin over de schrijnende werkelijkheid waarin Klaas – onwillig geworden na zoveel jaren tevergeefs proberen – nu feitelijk aan zijn lot wordt overgelaten. Want als hij zélf niet meer om hulp vraagt en aan een of andere bel trekt, ziet geen hulpverlener nog naar hem om. Zelfs zijn eigen huisarts niet. Zo gaat dat blijkbaar in Nederland. Ben je fysiek ziek, dan volgt de zorg je doorgaans net zo lang tot je beter bent. En als dat niet meer mogelijk is, dan krijg je vanzelfsprekend een palliatief traject aangeboden. Wie daarentegen terminaal ziek is in het hoofd – niet meer in staat zelf alarm te slaan – staat veelal in de kou. Waar blijft de hulp als er geen hulpvraag meer komt?  Als handen zich aftrekken van de angstig depressieve wanhopige en als monden zeggen: hij wil blijkbaar niet?

Ik verloor zelf mijn zus aan zelfdoding. Ook zij was jarenlang ernstig depressief, en deed haar uiterste best te genezen. Tevergeefs. Uiteindelijk hield ze het leven vol tot haar vijfenvijftigste. Aan het eind van haar leven stond voor mij  één ding als een paal boven water: dat zij na dertig jaar depressies in een terminale fase van haar ziekte verkeerde. En ik was destijds woedend op een zorgsysteem dat daar blijkbaar onvoldoende oog voor had gehad.

En nu maak ik me even woedend om Klaas. En om die talloze anderen. Om hoe we met hen omgaan. Want hoelang duurt het voor we gaan inzien dat mensen zoals mijn zus of Klaas evengoed zó ziek kunnen zijn dat een menswaardige en zorgvuldige begeleiding in de richting van hun dood op zijn plaats zou zijn? Dat ook zíj mogen rekenen op warmte en aandacht in de vorm van goede palliatieve zorg als de behandeling niet aanslaat? Op een zacht heengaan, in het bijzijn van dierbaren, zoals we dat ook anderen die ondraaglijk lijden gunnen?

Langs hoeveel huisdeuren lopen we dagelijks waarachter misschien iemand zoals Klaas leeft? Iemand – een mens! – die zich eenzaam en wanhopig aan het terugtrekken is uit een wereld met een machtig ‘zorgsysteem’ dat hem of haar ‘vergeet’. Omdat er geen hulpvraag meer kwam…

Hoe koud, dat systeem. Hoe liefdeloos. Hoe mensonwaardig.

beeldje in onze tuin, gemaakt door mijn zus