Met twee maten meten

4 februari 2017

Mijn zus besloot in 2009 te stoppen met leven. Ze vond het genoeg, dat leven, of in elk geval het lijden aan depressies dat ermee gepaard ging. Met voldoende opgespaarde pillen maakte ze er zelfstandig een eind aan. Sinds mensenheugenis noemen zo’n zelfgekozen levenseinde zelfmoord. Of – dat klinkt wetenschappelijker en daardoor wat afstandelijker – suïcide. Of – dat klinkt minder oordelend en daardoor minder hard – zelfdoding. Maar welke naam je er ook aan geeft, het is en blijft – zelfs vandaag de dag – nog altijd een manier van doodgaan die in het taboehoekje zit. Achterblijvers weten daarover mee te praten. Wie openlijk de toedracht van deze dood noemt, stuit bij de omgeving vaak op schrik, afschuw en ontzetting.

Tegelijkertijd kent onze samenleving een snel groeiend aantal ‘gezonde’ mensen – mensen dus die lichamelijk of geestelijk niets terminaals mankeren – die het eigen leven als ‘klaar’ of ‘voltooid’ beschouwen. Net als mijn zus vinden ze het genoeg, om wat voor persoonlijke reden dan ook, en zij willen zélf over het moment van sterven kunnen beslissen. Dat wil zeggen: via een verruiming van de wet willen zij voortaan ook in aanmerking kunnen komen voor een zachte dood in de vorm van euthanasie. Refererend aan hun autonomie en zelfbeschikking pleit men voor wettelijk toegestane hulp door een dokter, die hun het juiste dodelijke drankje of spuitje verschaft als het moment daar is. Bijkomend voordeel: dit zelfgekozen moment waarop het ‘genoeg’ is lijkt dankzij de wet en de hulp meer op ‘euthanasie’. Dat is prettig, want anders dan zelfdoding wordt die vorm van doodgaan inmiddels wél breed geaccepteerd in onze samenleving.

Hier schuurt het voor mij – achterblijver van een zelfdoding – soms toch een beetje. Met de beste wil van de wereld kan ik maar geen wezenlijk verschil zien tussen het ‘genoeg’ van mijn zusje en dat van deze even zelf beschikkende groep. Maar in onze reactie erop en in het maatschappelijke debat erover is het net of er opeens met twee maten wordt gemeten. Het ene ‘genoeg’ is omgeven met taboe, het andere mag op ons begrip en onze instemming rekenen.
Het is denk ik om die reden dat de kop boven het essay van Annemarieke van der Woude in Trouw me vanmorgen ineens zo aansprak: ‘Noem die euthanasie liever zelfdoding’.

Wil je reageren? Dat kan via contact.

 

Eén deur

28 december 2016

De dood en het leven horen voor mij bij elkaar. Samen vormen ze een en dezelfde werkelijkheid. Vanaf het moment dat ik dit leven in stapte, droeg ik de dood al in een rugzakje mee. Er komt immers onvermijdelijk een dag waarop ik er ook weer uit zal verdwijnen.

Heel prachtig verwoord vind ik dit gegeven in een tekst van Elie Wiesel uit 1966:

Afscheid is net zo’n mysterie als een ontmoeting. In beide gevallen gaat een deur open. Bij een ontmoeting gaat de deur open naar de toekomst, bij scheiding gaat zij open naar het verleden. Het blijft dezelfde deur.

Ik voel veel instemming bij dit citaat door hoe ik de geboorte en dood van de ander in mijn leven ervaar. Dat het in beide gevallen om één en dezelfde deur gaat.

Tweede Kerstdag keek ik lang in de heldere ogen van het allereerste kleinkind van goede vrienden. Ik kan op zo’n moment niet anders dan diep verwonderd zijn, vol ontzag voor zo veel mysterie in of achter die twee prachtige jonge peuterogen. Wie ben jij? Waar kom je – los van het gemakkelijke antwoord – vandaan? Door welke deur stapte jij dit aardse bestaan binnen?

Gek genoeg ervaar ik precies datzelfde gevoel van ontzag voor mysterie aan de andere kant, aan het eind van een leven. Toen ik keek naar mijn overleden vader, mijn moeder, mijn zus, een goede vriend was ik net zo verwonderd. Zo intens vertrouwd, zo’n lichaam, en tegelijk zo volkomen vreemd en leeg toen zij eruit verdwenen waren.
Wie of wat, welk mysterie, bewoonde dat lichaam? Waar ging het naartoe? Door welke deur?

Wil je reageren? Dat kan via contact.

 

Wij tweetjes en meer

9 november 2016

Mijn allerliefste tante is overleden. Bijna negentig werd ze. Vlak voor haar dood zocht ik haar op, in het Deventer ziekenhuis. De volgende dag zou ze naar huis gaan, want revalideren, dat wilde ze niet. Euthanasie evenmin. Dan maar niet meer eten, want genoeg is genoeg.

Als ik haar eenpersoonskamer binnenstap schrik ik nogal: tante ligt helemaal haaks in bed, half over de rand hangt ze, met één hand vastgeklonken aan de papegaai boven haar bed, alsof ze op zoek is naar iets op de grond. Met haar vrije hand maakt ze wilde gebaren, en ze praat tegen ik heb geen idee wie. Tante schrikt net zo hard van mij als ze me ziet. Moeizaam hijst ze zich terug de kussens in.

We zijn allebei nog een beetje aan het bekomen als de dokter binnenstapt, samen met een collega. Hij geeft eerst mij en daarna tante een hand en zegt dan vriendelijk: `Het is allemaal geregeld, mevrouw, u mag morgenvroeg met de ambulance naar huis.´ Daarna overlegt hij nog wat met zijn collega, over tantes bed heen, en dan verdwijnen ze weer.

Ze staart me beduusd aan. Lijkt in de war. Van mij, aan haar bed, van de dokters, van die boodschap. Door alle commotie heb ik haar nog steeds niet dag gezoend. Eerst maar eens een stoel aanschuiven naast haar bed. Nu kijkt ze me pas echt goed aan. `Lies?? Maar de meisjes zouden komen! Ik ga vandaag naar huis!’ Ik leg haar rustig uit wat ik vanmorgen van haar dochter heb begrepen. Dat het allemaal een beetje veranderd is, dat ze pas morgen gaat omdat er thuis nog wat moest worden voorbereid.
Dan onderbreekt ze me ineens, en zegt verontwaardigd: `En wordt er tegenwoordig niet meer gezoend?’ Ik lach, pak haar beet bij haar knokige schouders, en zoen haar op haar ingevallen wangen zoals wij dat gewend zijn, zij het wat voorzichtiger, vanwege het plastic neusbrilletje met zuurstof dat toch al gevaarlijk scheef in haar neusgaten bungelt.

Uiteindelijk zit ik twee uur aan het bed van mijn tante. Zij, zo lijkt het, verkeert die uren in twee verschillende werkelijkheden tegelijk: in de onze, en in een heel andere, waar ik niet in pas. Alsof ze met één been al is overgegaan.

Is ze in de mijne, dan is alles gewoon. Tante spreekt in volkomen heldere woorden en zinnen. Over vroeger. Over haar ziek zijn nu. Over die kapotte telefoon thuis. Met een loep kijken we samen naar een paar foto’s van vroeger die ik voor haar heb meebracht. Over de lol die we hebben gehad. Over dat ze zo’n goed leven heeft gehad. Over het paradijs waar ze nu naartoe gaat, en waarvan ze niet snapt dat iemand daar bang voor zou kunnen zijn. Tussendoor geef ik haar een beetje water uit haar tuitbeker voor haar droge mond. Ze heeft liever een rietje, zegt ze, zoek maar, daar, in het laatje. Soms wrijft ze te wild langs haar neus, dan moet ik haar brilletje terugzetten, want zonder zuurstof gaat ze dood, grapt ze. Met onverwachte kracht geeft ze zo nu en dan een stevige slinger aan de papegaai boven haar hoofd. Alles precies zoals ik haar ken.

Maar tussendoor dwaalt ze elders. Dan tuurt ze door het raam naar het groene weiland met de paarden – kijk toch eens hoe prachtig daar, dat paradijs! Heel vaak houdt ze haar blik strak gericht op het plafond, of misschien – ik weet dat niet – wel op iets daar dwars doorheen. Hoe dan ook, wij tweetjes lijken die middag geregeld met veel meer, daar in die kleine ziekenhuiskamer. En zij, zij ziet ze allemaal. Alle geliefde dierbaren die haar – korter of veel langer geleden – zijn voorgegaan in de dood en die ze zo verschrikkelijk heeft gemist. Ze zijn er opeens, en ze praat ertegen, kijkt naar taferelen die ik niet kan zien. Zo vraagt ze bijvoorbeeld opeens bezorgd aan mijn allang overleden vader: `Ab, heb jij geen last van die rook?’ Tevergeefs kijk ik mee, maar ik zie niks. Dat zeg ik haar, dat zij veel meer kan zien dan ik, nu. Ze lacht me toe: `Inderdaad, want je denkt toch zeker niet dat ik gek ben?’ Soms zit ik in de weg, dan vraagt ze of ik een beetje op kan schuiven, zodat ze ook haar zus kan zien. Dan weer fronst ze moeilijk haar voorhoofd, alsof ze in deverte iets probeert te lezen. Ik vraag haar wat ze ziet. `Een bordje’, zegt ze, ‘met Kom nu maar gauw.’

Tante kijkt me plotseling bezorgd aan. `Lies, ik ben zo ontzettend bang dat de meisjes mijn huis nu voor niks in orde maken, dat ik morgen waarschijnlijk niet eens meer haal. Ik heb vandaag al twee keer heel sterk dat gevoel gehad van, oeps, daar ga ik!’ Het klinkt helemaal niet eng, hoe ze dat zegt. Eerder opgewonden en nieuwsgierig, alsof ze in blijde afwachting is van wat komen gaat. Als een kind, dat voor het eerst de glijbaan af mag, oeps, haar paradijs in.

We nemen afscheid. Ze drukt me op het hart dat ik Willem moet groeten. ‘Niet vergeten, hoor!’ Ik beloof het haar, en ik vraag of zij dan op haar beurt iedereen daarginds mijn lieve groeten wil doen. Dat zal ze, verzekert ze me.

Ik kan geen verdriet voelen als ik haar kamer uit loop. Hooguit weemoed, van alweer een verhaal dat definitief uit is straks. Tegelijkertijd tilt haar rotsvaste vertrouwen op een prachtige toekomst me een beetje op. Ik put er op een bepaalde manier troost uit, ook al is haar geloof heel anders dan het mijne. En voor de rest kan ik haar alleen maar toewensen dat het gauw zover mag zijn.

De volgende ochtend krijg ik een telefoontje. Tantes voorgevoel bleek te kloppen. Die nacht is ze in haar slaap en in het bijzijn van ‘haar meisjes’ vredig weggegleden.

Oeps, daar ging ik, Lies, hoor ik haar zachtjes fluisteren.

Dag lieve tante, fluister ik terug.

Wil je reageren? Dat kan via contact.

 

Het wel en wee van missen

13 oktober 2016

Missen heeft tegenwoordig iets dubbels voor mij: ik ervaar het als prettig en pijnlijk in-een. Het doet een beetje denken aan ‘heim-wee’ misschien, dat die twee letterlijk in zich herbergt: de zoete herinnering aan een thuis of heim, én het wee van niet of nooit meer.

Een voorbeeld van missen.
Soms mis ik onze telefoontjes. Dan kan ik er opeens naar hunkeren dat ik haar nog één keertje bellen kan. Of zij mij. Zomaar, zoals we dat zo vaak deden, ook of juist als er niks te bellen viel. Ik mis dan dat gewone, vanzelfsprekende contact.
Bij gebrek aan beter haal ik ze op zo’n moment dan maar voor de geest, die telefoontjes van toen. Ik stel ze me zo levendig mogelijk voor: hoe de telefoon overgaat, hoe het tijdstip al verklapt dat zij het wel zal zijn, hoe ik dat pas zeker weet als ik haar nummer herken en opneem – hoi Liesje – hoe we lang kletsen over alles en niks.

Langs de weg van de verbeeldende herinnering brengt het missen me zo moeiteloos terug naar waar de dood nog niet meedogenloos tussen ons in stond. Ik fantaseer hem weg, de dood, net als de tijd, de jaren die sindsdien al zijn verstreken. Voor een moment zijn ze er niet, en dat is heerlijk. Gulzig laaf ik me aan wat ik mis.
Net zo lang tot ik ze bijna kan horen: haar stem, haar lach.

Bíjna …

Wil je reageren? Dat kan via contact.

 

Bevrijding

18 september 2016

Vanuit de onmacht van niet-begrijpen is deze dochter bovenal kwaad in haar rouw. Daar geeft ze op cynische wijze lucht aan. Dan zegt ze bijvoorbeeld: ‘Wat moet ík hier eigenlijk mee? Zíj heeft besloten om in dat stomme fotolijstje op mijn kast te kruipen!’

We beginnen de Weerklankavonden steeds met een klein ritueel. Dan steken we een eigen kaars aan en zetten daar de foto van onze dierbare bij. Alleen zij laat haar moeder soms ‘per ongeluk’ in de auto liggen. Of thuis. Daar kijken we geen van allen meer van op, want het past zo precies bij haar in boosheid verpakte verdriet.

Op een avond maakt ieder een eigen herinnerplek, met meegebrachte spulletjes van thuis. Zij is die spullen vergeten, maar dat belet haar niet om mee te doen. Op haar eigen manier maakt ze een gedenkplek voor haar moeder. Daartoe gebruikt ze gewoon wat ze tegenkomt in de ruimte: een soepel vallende lap stof, enkele beeldende symboolkaarten en wat bloemen uit een vaas. Zorgvuldig schikt en herschikt ze alles tot een ontroerend en krachtig tafereel op de grond.

Samen maken we onze ronde langs de verschillende plekken. Zij is als laatste aan de beurt. Ze begint te vertellen over haar moeder. Over de gekke kleren die ze altijd droeg, over haar werk, over de tuin en haar groene vingers. Over de bolderkar waarin ze haar kroost vroeger altijd naar de supermarkt fietste.
En opeens stokt ze. Het is de kaart met een afbeelding van een paar jonge olifantjes erop – slurf in staart gehaakt, veilig achter moeder olifant aan – die haar boosheid breekt. Tussen haar tranen van verdriet, gemis en dankbaarheid in vertelt ze verder. Over de liefde van haar moeder voor haar kinderen, en over wat het betekent om te moeten verliezen wat je zo innig hebt liefgehad.

Zo bevrijdt ze haar moeder uit het al te krappe fotolijstje op de kast thuis. Laat ze haar méér worden – ruimer en ronder, warmer en zachter – dan dat zo hardhoekig ogende pillenbesluit.

Wil je reageren? Dat kan via contact.

 

Verschillende bekers

22 augustus 2016

Ze begreep vaak maar weinig van haar enig zusje, anders gebakken als ze was. Waar haar beker altijd halfvol zat, was die van haar zus steeds halfleeg geweest. Of misschien leger dan dat.
Ze had het zich talloze keren afgevraagd. Soms verbolgen, als haar zus de sfeer thuis met haar stemming weer eens bedierf: Waarom toch altijd zo moeilijk doen? Waarom steeds zo zwaar, zo ingewikkeld? Er is toch van alles om blij en gelukkig om te zijn? Kijk eens in de spiegel, kijk om je heen! Zie wat er allemaal wél is en maak daar iets van!

Maar ze zag het niet, het zusje. Sterker nog: op die ene fatale dag schopte ze haar beker omver, alsof ze zeggen wou: ik hoef je niet meer, lelijk rotding!

Dat is nog geen jaar geleden nu, haar eerste sterfdag moet nog komen. Zij bleef als oudste alleen achter. In de stille eenzaamheid van haar verdriet begint ze anders te kijken naar volle en lege bekers. Begrijpt ze voor het eerst iets van hoe verschrikkelijk je blijkbaar onder zo’n halflege kunt lijden. Want hoe wanhopig moest haar zusje zijn om te doen wat ze deed? Het is een besef dat haar nu soms extra verdrietig maakt. Dan voelt ze zich schuldig over haar eigen volle beker. Dan vindt ze dat bekers eerlijk verdeeld zouden moeten zijn. Alsof zij er zelf iets aan had kunnen doen. Dan brengt ze haar hoofd op hol met venijnige ‘had ik maar zus geweten’ of ‘had ik maar zo gedaan’. Ziekmakend spul, zulke gedachten, weet ze met haar hoofd, maar zet ze maar eens uit!

In de hectiek van haar drukke bestaan vindt ze maar weinig tijd om stil te staan bij haar verlies. Ze heeft haar handen vol aan haar gezin met twee kleintjes en een drukke nieuwe baan. Als kersverse moeder bekommert ze zich bovendien eerder om het verdriet van haar ouders dan om dat van zichzelf, vanuit het besef hoe groot de klap voor hen wel niet moet zijn.

Toch is het soms zomaar gebeurd. Dan breken haar sluizen en klotst het diep verdriet zomaar naar buiten. Ze vindt het niet erg omdat het haar goed doet, hoezeer het haar soms ook overvalt.
Het is een reactie die precies past bij haar beker, bij haar zo anders gebakken zijn. De dood van haar zusje heeft haar de breekbaarheid van geluk doen ervaren, maar tastte haar eigen liefde voor het leven gelukkig niet aan. Anders van inhoud blijft haar beker halfvol.

Wil je reageren? Dat kan via contact.

 

De spin

7 juli 2016

In haar allesverterende rouw zoekt ze naar iets van houvast. Ze vindt het ‘bij toeval’, in een kort verhaal over een klein, kwetsbaar spinnetje. In het beestje herkent ze haar zoon, en snapt ze iets van de enorme nood die hem moet hebben bevangen, op die onzalige nacht waarin hij zichzelf de dood in liet vallen. Zomaar, van het ene op het andere onomkeerbare moment.

Waarom, waarom, waarom, weergalmt het in haar gebroken moederhart.

Het spinnenverhaal geeft haar geen antwoord, maar wel iets van troost. Langs de weg van een verhaal vindt ze een dunne draad die haar dwars door de dood heen opnieuw met hem verbindt. Ze draagt dit verhaal, haar heilig A4’tje, als een kostbaar bezit met zich mee in haar handtas, overal en nergens naartoe. Al maanden. Waar ze maar kan leest ze het voor, aan een ieder die het horen wil. Voorlezen is haar redding, het brengt haar verlichting. Ze heeft het al talloze keren gedaan en tot haar eigen verbazing hoeft ze er de laatste tijd niet meer zo hartverscheurend bij te huilen. Zo hervindt ze niet alleen haar zoon maar ook zichzelf in het spinnenverhaal. Alsof ze in het almaar herlezen haar eigen stukgevallen bestaan bijeenspint.

Spin. Kleine kwetsbare, bijzondere spin. Symbool van zin voor dat wat voorbij alle zin viel.

Op een van onze Weerklankavonden maakt ze in een hoekje van het tuinhuis een indrukwekkende herinnerplek voor haar zoon. Als ze klaar is komen we bij haar staan. Ze vertelt ons vol liefde over haar enig dierbaar kind. En plotseling is hij daar: een piepklein spinnetje, dat rustig heen en weer wandelt over haar herinnerwerk aan hem.
Een spinnetje.
Haar spinnetje.

Wil je reageren? Dat kan via contact.

 

Levensbrug

13 juni 2016

Een van mijn lievelingsboekjes is Nog vele jaren, de symboliek van elk levensjaar van Hans Korteweg. Sinds mijn allereerste kennismaking ermee, ik was 33, sla ik het trouw elke verjaardag open en lees ik de symboliek van mijn volgende levensjaar. Inmiddels doe ik dat al bijna een kwart eeuw, wat goed te zien is aan het boekje: het oogt oud en beduimeld. Toch zou ik het voor geen goud willen inruilen voor een fris en blinkend exemplaar.

Erica Duvekot maakte prachtige potloodtekeningen bij de teksten. Bijvoorbeeld de brug op het omslag: in één oogopslag toont die je de weg van de mens als een kringloop, vergelijkbaar met de vier seizoenen. We komen de brug op (lente), we groeien, bloeien en blinken (zomer), om daarna te verzinken (herfst) en uiteindelijk te vergaan (winter). De twee uiteinden van de brug komen sterk overeen, zij het vanuit verschillend perspectief: we starten even kwetsbaar en afhankelijk als we meestal zullen eindigen. En als het meezit blaken we daartussenin van gezonde autonomie.
Ik hou van die natuurlijke vanzelfsprekendheid, van zo’n oerdynamiek. En ik begrijp dan ook niet goed waarom een deel ervan – de ouderdom – steeds vaker lijkt te worden ‘afgewaardeerd’ als iets wat een mens eigenlijk niet zou moeten willen. Het is of je de winter uit de kringloop wilt doen verdwijnen.
Hoe zou Erica’s levensbrug eruitzien als je het laatste stukje schrapt? Dan hangt de brug op driekwart in het luchtledige, dan moet je opeens springen om de overkant te bereiken. De vloeiende beweging is eruit.

Begrijp me goed: ik wil hiermee niet zeggen dat een mens de brug altijd tot het bittere eind moet aflopen. Wie lijdt aan een ziekte, fysiek of mentaal, hoeft het leven niet koste wat kost ‘uit te leven’, en kan gelukkig vragen om euthanasie.

Wat mij vooral zorgen baart is de ouderdom, die – zeker als die met gebreken komt (of dreigt te komen) – meer en meer als een ‘probleem’ wordt ervaren, als een vorm van ‘lijden’, bang als we zijn onze autonomie te verliezen.
Waarom zouden we ‘lijden’ onder iets wat toch vooral een natuurlijk kringloopgegeven is?

Wil je reageren? Dat kan via contact.

 

Handleiding in tr-oo-st

23 mei 2016

Wat een prachtig woord vind ik dat toch, troost. Het lijkt wel of het is opgebouwd uit klanken die je gezamenlijk een handleiding influisteren van hoe je dat het beste kunt doen, een ander troosten. Want gemakkelijk is het niet.

Stap 1, de eerste klank is tr.
Trrrr … Dat klinkt wat trillend, bibberend, teer en kwetsbaar. En dat is precies de juiste grondhouding voor wie een ander wil troosten bij pijn en verdriet. Dat lukt het beste als je met lege handen komt, even naakt en kwetsbaar dus als degene die ergens aan lijdt. En dan moet je het ook nog eens bij die lege handen zien te houden: de verleiding weerstaan om het leed met woorden weg te poetsen of te rechtvaardigen.

Stap 2, de klank van een langgerekte o.
Oooooooo! Veel meer dan dat wordt er van een trooster verbaal eigenlijk niet gevraagd. Het belangrijkste is dat je er bent en dat je luistert. Met een meelevend, welgemeend oooo kun je de ander bevestigen in het verhaal. En met de juiste intonatie kun je daar alle gevoelskleuren in leggen die je maar wilt: van ontzetting tot afgrijzen, van verdriet tot woede, van angst tot walging, en wat al niet meer. Probeer het maar eens, dan ontdek je onmiddellijk de rijkdom van de veelkleurige troost-o, die ronde, veilige bedding van begrip bij groot verdriet.

Stap 3, tot slot, de slotklank st.
Stttt. Dat wil zeggen: stil! Wie heeft het niet een keer ervaren, die heilzame werking van stille troost? Dat je in stilte samen nog wat rond het verdriet mag blijven zitten. Samen, dus niet alleen, en vooral: zonder het op te moeten lossen. Net zo lang als nodig is om weer tot jezelf te komen en je weg te kunnen vervolgen.

Wonderlijk, wat een wijsheid er verborgen kan liggen in de klanken van één enkel woord.

Wil je reageren? Dat kan via contact.

 

Zeg me, hoe lang nog?

26 april 2016

Hij kijkt me aan met een blik die het midden houdt tussen radeloze wanhoop, verdriet en razernij. Bijna dwingend vraagt hij me: ‘Hoe lang nog, zeg me, hoe lang nog, deze hel? Komt hier ooit een einde aan? Het lijkt wel of ik er alleen maar dieper in wegzak …’

Ik hoef hem niet uit te leggen dat ik geen geruststellend antwoord bezit. Dat weet hij zelf maar al te goed. Dat geen mens de duur en diepte van zijn rouw voor hem in kaart kan brengen. Dat er niet zoiets bestaat als een vaste rouwmaat voor het verlies dat hem zo genadeloos hard trof. Hij weet het. Net zo goed als hij weet dat er geen antwoord bestaat op zijn brandende vraag waarom zijn zoon moest doen wat hij deed.

Nee, deze vader verwacht geen antwoord van me. Hij wil zijn vraag alleen maar hardop kunnen uitroepen bij een ander, om er voor één moment niet zo godvergeten alleen mee te zijn. Dus zitten we een tijdje samen rond zijn vraag. Verkennen we die, in al z’n rauwe pijnlijkheid. Dat alleen al lijkt hem iets van lucht te geven.

De dagen daarna trilt zijn vraag – meer in het algemeen nu – nog wat na. Is rouw eindig? Of gaat rouw nooit meer over? Ik lees en hoor het eigenlijk best vaak, die laatste opvatting: dat rouwen een levenslang proces zou zijn. Op de een of andere manier heeft die gedachte me nooit erg aangesproken. Ik vind het geen troostrijk alternatief voor de achterhaalde opvatting dat er voor rouw een bepaalde tijdsduur zou bestaan.

Acht ik mezelf, zeven jaar na Judiths dood, nog in rouw? Nee, weet ik tot mijn grote opluchting heel zeker. Gelukkig niet. Dat grondeloze gevoel van gebrokenheid ging voorbij. Die bel van verdriet waarin een mens in rouw zich zo opgesloten en eenzaam kan voelen, losgeslagen uit de tijd en het voortrazende leven om zich heen, die bel spatte uiteindelijk uiteen. Ik voelde na een tijdje opnieuw verbinding, en voldoende grond onder mijn voeten om op voort te gaan.

Wat wél bij me bleef – en wat voor mij best levenslang mag duren – is de weemoed van het missen: het is dat vaak onaangekondigde, hartstochtelijke verlangen naar ‘konden we nog maar één keer samen’, gevolgd door de verdrietige conclusie van ‘nee dus, nooit meer’. De weemoed van het missen ervaar ik heel anders dan de rouw: weemoed verbindt juist en bevangt me eerder met de warmte van de liefde dan met de kou van het verlies.

Ik kan onmogelijk zeggen waar dat pijnlijke rouwen precies is opgehouden. Evenmin hoe, of waardoor. Ik kan alleen maar achteraf constateren dat het ergens onderweg gebeurd moet zijn: dat de mist optrok, waardoor ik weer zicht kreeg en mijn weg kon vervolgen.
In een volstrekt ander landschap, dat wel. Maar toch, vervolgen.

Wil je reageren? Dat kan via contact.