Het wel en wee van missen

13 oktober 2016

Missen heeft tegenwoordig iets dubbels voor mij: ik ervaar het als prettig en pijnlijk in-een. Het doet een beetje denken aan ‘heim-wee’ misschien, dat die twee letterlijk in zich herbergt: de zoete herinnering aan een thuis of heim, én het wee van niet of nooit meer.

Een voorbeeld van missen.
Soms mis ik onze telefoontjes. Dan kan ik er opeens naar hunkeren dat ik haar nog één keertje bellen kan. Of zij mij. Zomaar, zoals we dat zo vaak deden, ook of juist als er niks te bellen viel. Ik mis dan dat gewone, vanzelfsprekende contact.
Bij gebrek aan beter haal ik ze op zo’n moment dan maar voor de geest, die telefoontjes van toen. Ik stel ze me zo levendig mogelijk voor: hoe de telefoon overgaat, hoe het tijdstip al verklapt dat zij het wel zal zijn, hoe ik dat pas zeker weet als ik haar nummer herken en opneem – hoi Liesje – hoe we lang kletsen over alles en niks.

Langs de weg van de verbeeldende herinnering brengt het missen me zo moeiteloos terug naar waar de dood nog niet meedogenloos tussen ons in stond. Ik fantaseer hem weg, de dood, net als de tijd, de jaren die sindsdien al zijn verstreken. Voor een moment zijn ze er niet, en dat is heerlijk. Gulzig laaf ik me aan wat ik mis.
Net zo lang tot ik ze bijna kan horen: haar stem, haar lach.

Bíjna …

Wil je reageren? Dat kan via contact.

 

Bevrijding

18 september 2016

Vanuit de onmacht van niet-begrijpen is deze dochter bovenal kwaad in haar rouw. Daar geeft ze op cynische wijze lucht aan. Dan zegt ze bijvoorbeeld: ‘Wat moet ík hier eigenlijk mee? Zíj heeft besloten om in dat stomme fotolijstje op mijn kast te kruipen!’

We beginnen de Weerklankavonden steeds met een klein ritueel. Dan steken we een eigen kaars aan en zetten daar de foto van onze dierbare bij. Alleen zij laat haar moeder soms ‘per ongeluk’ in de auto liggen. Of thuis. Daar kijken we geen van allen meer van op, want het past zo precies bij haar in boosheid verpakte verdriet.

Op een avond maakt ieder een eigen herinnerplek, met meegebrachte spulletjes van thuis. Zij is die spullen vergeten, maar dat belet haar niet om mee te doen. Op haar eigen manier maakt ze een gedenkplek voor haar moeder. Daartoe gebruikt ze gewoon wat ze tegenkomt in de ruimte: een soepel vallende lap stof, enkele beeldende symboolkaarten en wat bloemen uit een vaas. Zorgvuldig schikt en herschikt ze alles tot een ontroerend en krachtig tafereel op de grond.

Samen maken we onze ronde langs de verschillende plekken. Zij is als laatste aan de beurt. Ze begint te vertellen over haar moeder. Over de gekke kleren die ze altijd droeg, over haar werk, over de tuin en haar groene vingers. Over de bolderkar waarin ze haar kroost vroeger altijd naar de supermarkt fietste.
En opeens stokt ze. Het is de kaart met een afbeelding van een paar jonge olifantjes erop – slurf in staart gehaakt, veilig achter moeder olifant aan – die haar boosheid breekt. Tussen haar tranen van verdriet, gemis en dankbaarheid in vertelt ze verder. Over de liefde van haar moeder voor haar kinderen, en over wat het betekent om te moeten verliezen wat je zo innig hebt liefgehad.

Zo bevrijdt ze haar moeder uit het al te krappe fotolijstje op de kast thuis. Laat ze haar méér worden – ruimer en ronder, warmer en zachter – dan dat zo hardhoekig ogende pillenbesluit.

Wil je reageren? Dat kan via contact.

 

Verschillende bekers

22 augustus 2016

Ze begreep vaak maar weinig van haar enig zusje, anders gebakken als ze was. Waar haar beker altijd halfvol zat, was die van haar zus steeds halfleeg geweest. Of misschien leger dan dat.
Ze had het zich talloze keren afgevraagd. Soms verbolgen, als haar zus de sfeer thuis met haar stemming weer eens bedierf: Waarom toch altijd zo moeilijk doen? Waarom steeds zo zwaar, zo ingewikkeld? Er is toch van alles om blij en gelukkig om te zijn? Kijk eens in de spiegel, kijk om je heen! Zie wat er allemaal wél is en maak daar iets van!

Maar ze zag het niet, het zusje. Sterker nog: op die ene fatale dag schopte ze haar beker omver, alsof ze zeggen wou: ik hoef je niet meer, lelijk rotding!

Dat is nog geen jaar geleden nu, haar eerste sterfdag moet nog komen. Zij bleef als oudste alleen achter. In de stille eenzaamheid van haar verdriet begint ze anders te kijken naar volle en lege bekers. Begrijpt ze voor het eerst iets van hoe verschrikkelijk je blijkbaar onder zo’n halflege kunt lijden. Want hoe wanhopig moest haar zusje zijn om te doen wat ze deed? Het is een besef dat haar nu soms extra verdrietig maakt. Dan voelt ze zich schuldig over haar eigen volle beker. Dan vindt ze dat bekers eerlijk verdeeld zouden moeten zijn. Alsof zij er zelf iets aan had kunnen doen. Dan brengt ze haar hoofd op hol met venijnige ‘had ik maar zus geweten’ of ‘had ik maar zo gedaan’. Ziekmakend spul, zulke gedachten, weet ze met haar hoofd, maar zet ze maar eens uit!

In de hectiek van haar drukke bestaan vindt ze maar weinig tijd om stil te staan bij haar verlies. Ze heeft haar handen vol aan haar gezin met twee kleintjes en een drukke nieuwe baan. Als kersverse moeder bekommert ze zich bovendien eerder om het verdriet van haar ouders dan om dat van zichzelf, vanuit het besef hoe groot de klap voor hen wel niet moet zijn.

Toch is het soms zomaar gebeurd. Dan breken haar sluizen en klotst het diep verdriet zomaar naar buiten. Ze vindt het niet erg omdat het haar goed doet, hoezeer het haar soms ook overvalt.
Het is een reactie die precies past bij haar beker, bij haar zo anders gebakken zijn. De dood van haar zusje heeft haar de breekbaarheid van geluk doen ervaren, maar tastte haar eigen liefde voor het leven gelukkig niet aan. Anders van inhoud blijft haar beker halfvol.

Wil je reageren? Dat kan via contact.

 

De spin

7 juli 2016

In haar allesverterende rouw zoekt ze naar iets van houvast. Ze vindt het ‘bij toeval’, in een kort verhaal over een klein, kwetsbaar spinnetje. In het beestje herkent ze haar zoon, en snapt ze iets van de enorme nood die hem moet hebben bevangen, op die onzalige nacht waarin hij zichzelf de dood in liet vallen. Zomaar, van het ene op het andere onomkeerbare moment.

Waarom, waarom, waarom, weergalmt het in haar gebroken moederhart.

Het spinnenverhaal geeft haar geen antwoord, maar wel iets van troost. Langs de weg van een verhaal vindt ze een dunne draad die haar dwars door de dood heen opnieuw met hem verbindt. Ze draagt dit verhaal, haar heilig A4’tje, als een kostbaar bezit met zich mee in haar handtas, overal en nergens naartoe. Al maanden. Waar ze maar kan leest ze het voor, aan een ieder die het horen wil. Voorlezen is haar redding, het brengt haar verlichting. Ze heeft het al talloze keren gedaan en tot haar eigen verbazing hoeft ze er de laatste tijd niet meer zo hartverscheurend bij te huilen. Zo hervindt ze niet alleen haar zoon maar ook zichzelf in het spinnenverhaal. Alsof ze in het almaar herlezen haar eigen stukgevallen bestaan bijeenspint.

Spin. Kleine kwetsbare, bijzondere spin. Symbool van zin voor dat wat voorbij alle zin viel.

Op een van onze Weerklankavonden maakt ze in een hoekje van het tuinhuis een indrukwekkende herinnerplek voor haar zoon. Als ze klaar is komen we bij haar staan. Ze vertelt ons vol liefde over haar enig dierbaar kind. En plotseling is hij daar: een piepklein spinnetje, dat rustig heen en weer wandelt over haar herinnerwerk aan hem.
Een spinnetje.
Haar spinnetje.

Wil je reageren? Dat kan via contact.

 

Levensbrug

13 juni 2016

Een van mijn lievelingsboekjes is Nog vele jaren, de symboliek van elk levensjaar van Hans Korteweg. Sinds mijn allereerste kennismaking ermee, ik was 33, sla ik het trouw elke verjaardag open en lees ik de symboliek van mijn volgende levensjaar. Inmiddels doe ik dat al bijna een kwart eeuw, wat goed te zien is aan het boekje: het oogt oud en beduimeld. Toch zou ik het voor geen goud willen inruilen voor een fris en blinkend exemplaar.

Erica Duvekot maakte prachtige potloodtekeningen bij de teksten. Bijvoorbeeld de brug op het omslag: in één oogopslag toont die je de weg van de mens als een kringloop, vergelijkbaar met de vier seizoenen. We komen de brug op (lente), we groeien, bloeien en blinken (zomer), om daarna te verzinken (herfst) en uiteindelijk te vergaan (winter). De twee uiteinden van de brug komen sterk overeen, zij het vanuit verschillend perspectief: we starten even kwetsbaar en afhankelijk als we meestal zullen eindigen. En als het meezit blaken we daartussenin van gezonde autonomie.
Ik hou van die natuurlijke vanzelfsprekendheid, van zo’n oerdynamiek. En ik begrijp dan ook niet goed waarom een deel ervan – de ouderdom – steeds vaker lijkt te worden ‘afgewaardeerd’ als iets wat een mens eigenlijk niet zou moeten willen. Het is of je de winter uit de kringloop wilt doen verdwijnen.
Hoe zou Erica’s levensbrug eruitzien als je het laatste stukje schrapt? Dan hangt de brug op driekwart in het luchtledige, dan moet je opeens springen om de overkant te bereiken. De vloeiende beweging is eruit.

Begrijp me goed: ik wil hiermee niet zeggen dat een mens de brug altijd tot het bittere eind moet aflopen. Wie lijdt aan een ziekte, fysiek of mentaal, hoeft het leven niet koste wat kost ‘uit te leven’, en kan gelukkig vragen om euthanasie.

Wat mij vooral zorgen baart is de ouderdom, die – zeker als die met gebreken komt (of dreigt te komen) – meer en meer als een ‘probleem’ wordt ervaren, als een vorm van ‘lijden’, bang als we zijn onze autonomie te verliezen.
Waarom zouden we ‘lijden’ onder iets wat toch vooral een natuurlijk kringloopgegeven is?

Wil je reageren? Dat kan via contact.

 

Handleiding in tr-oo-st

23 mei 2016

Wat een prachtig woord vind ik dat toch, troost. Het lijkt wel of het is opgebouwd uit klanken die je gezamenlijk een handleiding influisteren van hoe je dat het beste kunt doen, een ander troosten. Want gemakkelijk is het niet.

Stap 1, de eerste klank is tr.
Trrrr … Dat klinkt wat trillend, bibberend, teer en kwetsbaar. En dat is precies de juiste grondhouding voor wie een ander wil troosten bij pijn en verdriet. Dat lukt het beste als je met lege handen komt, even naakt en kwetsbaar dus als degene die ergens aan lijdt. En dan moet je het ook nog eens bij die lege handen zien te houden: de verleiding weerstaan om het leed met woorden weg te poetsen of te rechtvaardigen.

Stap 2, de klank van een langgerekte o.
Oooooooo! Veel meer dan dat wordt er van een trooster verbaal eigenlijk niet gevraagd. Het belangrijkste is dat je er bent en dat je luistert. Met een meelevend, welgemeend oooo kun je de ander bevestigen in het verhaal. En met de juiste intonatie kun je daar alle gevoelskleuren in leggen die je maar wilt: van ontzetting tot afgrijzen, van verdriet tot woede, van angst tot walging, en wat al niet meer. Probeer het maar eens, dan ontdek je onmiddellijk de rijkdom van de veelkleurige troost-o, die ronde, veilige bedding van begrip bij groot verdriet.

Stap 3, tot slot, de slotklank st.
Stttt. Dat wil zeggen: stil! Wie heeft het niet een keer ervaren, die heilzame werking van stille troost? Dat je in stilte samen nog wat rond het verdriet mag blijven zitten. Samen, dus niet alleen, en vooral: zonder het op te moeten lossen. Net zo lang als nodig is om weer tot jezelf te komen en je weg te kunnen vervolgen.

Wonderlijk, wat een wijsheid er verborgen kan liggen in de klanken van één enkel woord.

Wil je reageren? Dat kan via contact.

 

Zeg me, hoe lang nog?

26 april 2016

Hij kijkt me aan met een blik die het midden houdt tussen radeloze wanhoop, verdriet en razernij. Bijna dwingend vraagt hij me: ‘Hoe lang nog, zeg me, hoe lang nog, deze hel? Komt hier ooit een einde aan? Het lijkt wel of ik er alleen maar dieper in wegzak …’

Ik hoef hem niet uit te leggen dat ik geen geruststellend antwoord bezit. Dat weet hij zelf maar al te goed. Dat geen mens de duur en diepte van zijn rouw voor hem in kaart kan brengen. Dat er niet zoiets bestaat als een vaste rouwmaat voor het verlies dat hem zo genadeloos hard trof. Hij weet het. Net zo goed als hij weet dat er geen antwoord bestaat op zijn brandende vraag waarom zijn zoon moest doen wat hij deed.

Nee, deze vader verwacht geen antwoord van me. Hij wil zijn vraag alleen maar hardop kunnen uitroepen bij een ander, om er voor één moment niet zo godvergeten alleen mee te zijn. Dus zitten we een tijdje samen rond zijn vraag. Verkennen we die, in al z’n rauwe pijnlijkheid. Dat alleen al lijkt hem iets van lucht te geven.

De dagen daarna trilt zijn vraag – meer in het algemeen nu – nog wat na. Is rouw eindig? Of gaat rouw nooit meer over? Ik lees en hoor het eigenlijk best vaak, die laatste opvatting: dat rouwen een levenslang proces zou zijn. Op de een of andere manier heeft die gedachte me nooit erg aangesproken. Ik vind het geen troostrijk alternatief voor de achterhaalde opvatting dat er voor rouw een bepaalde tijdsduur zou bestaan.

Acht ik mezelf, zeven jaar na Judiths dood, nog in rouw? Nee, weet ik tot mijn grote opluchting heel zeker. Gelukkig niet. Dat grondeloze gevoel van gebrokenheid ging voorbij. Die bel van verdriet waarin een mens in rouw zich zo opgesloten en eenzaam kan voelen, losgeslagen uit de tijd en het voortrazende leven om zich heen, die bel spatte uiteindelijk uiteen. Ik voelde na een tijdje opnieuw verbinding, en voldoende grond onder mijn voeten om op voort te gaan.

Wat wél bij me bleef – en wat voor mij best levenslang mag duren – is de weemoed van het missen: het is dat vaak onaangekondigde, hartstochtelijke verlangen naar ‘konden we nog maar één keer samen’, gevolgd door de verdrietige conclusie van ‘nee dus, nooit meer’. De weemoed van het missen ervaar ik heel anders dan de rouw: weemoed verbindt juist en bevangt me eerder met de warmte van de liefde dan met de kou van het verlies.

Ik kan onmogelijk zeggen waar dat pijnlijke rouwen precies is opgehouden. Evenmin hoe, of waardoor. Ik kan alleen maar achteraf constateren dat het ergens onderweg gebeurd moet zijn: dat de mist optrok, waardoor ik weer zicht kreeg en mijn weg kon vervolgen.
In een volstrekt ander landschap, dat wel. Maar toch, vervolgen.

Wil je reageren? Dat kan via contact.

 

In memoriam: twee mannen

6 april 2016

De week begon slecht.

Ik wist niet dat Wim Brands leed aan een depressie. Het nieuws dat die hem maandag fataal werd kwam dan ook hard binnen. Keihard.

Een van de indrukwekkendste gesprekken die ik me van hem herinner is zijn dubbelinterview met die andere veel te vroeg gestorven man: René Gude. Over leven en dood, over bestaan in kwetsbaarheid. En over troost en hoop.

Twee mannen naar mijn hart.

Ter nagedachtenis en in dank hier een link naar die uitzending.

Wil je reageren? Dat kan via contact.

 

Zin weven

4 maart 2016

Lange tijd werd rouwen beschreven in termen van fasen die je moest doorlopen, of van taken die je moest uitvoeren om tot heling te komen. Beide lijken nu te worden ingehaald door een nieuwe manier om naar het rouwen te kijken, namelijk als een ‘duaal proces’: wie rouwt is afwisselend gericht op het verlies en het herstel, beweegt zich al rouwende heen en weer tussen die twee.

Zo’n duaal proces sluit naadloos aan bij de ervaring van wat een abrupt en schokkend verlies veelal doet met een mens. Nabestaanden verwoorden die ervaring vaak in termen van gebrokenheid: het eigen bestaan viel op dat moment uiteen in een voor en een na, in een leven met en een leven zonder, in wat was en wat komt. De doorgaande lijn is verbroken. De rouwende bevindt zich in de ruimte tussen die twee, kijkt ontzet en verbijsterd terug én vooruit, en beweegt zich daartussen. In die heen en weer gaande beweging wordt op eigen wijze gewerkt aan het weer bijeenbrengen van de twee helften. Ik vind dat een mooi en herkenbaar beeld.

Op ons dressoir ligt al jaren een gebroken steen: van buiten oogt hij niet zo bijzonder (glad en bruin), maar van binnen fonkelt het kristal je tegemoet. Tegenwoordig staat deze steen voor mij symbool voor wat ik heb ervaren in mijn rouw om Judiths dood. Als ik de twee helften bijeenbreng vormen ze samen een passend geheel, al blijft de breuklijn natuurlijk wel zichtbaar. Bovendien zie je als je de twee helften samenbrengt dat er een klein stukje weg is. Blijvend verloren, zoekgeraakt, weg. Eeuwig zonde. Tegelijkertijd maakt juist dat ontbrekende stukje dat je nu wel naar binnen kunt kijken, en voorbij die gladde, bruine buitenkant een prachtig kristalleven ziet.

De steen dus als symbool voor zo’n duaal rouwproces. Heen en weer bewegend tussen de twee helften van verlies en herstel weef je ze al rouwend aaneen, en vang je misschien tot je verrassing iets wat op zo’n moment ‘zin’ genoemd kan worden. Precies zoals Vasalis dat zo mooi heeft verwoord in de dichtregels die ik elders op mijn site heb staan en hier herhaal:

Maar wel weven we van binnen
en onophoudelijk
van de duurste en taaiste materie,
heel precieze en doorzichtige webben
(…)
waarin wij datgene vangen
dat op zo’n ogenblik
misschien zin genoemd kan worden.

Wil je reageren? Dat kan via contact.

Algemeen beschaafde sterfdruk?

2 februari 2016

Genoten zaterdag van de prachtige weergave in Trouw van een lezing van Willem Jan Otten over het zelfgeregisseerde levenseinde. Er lijkt, zegt hij, met al die pleidooien voor tijdige zelfbeschikking van de afgelopen twee decennia zo langzamerhand iets te zijn ontstaan als een Algemeen Beschaafd Levenseinde: ‘weloverwogen en bijtijds, dat is ruim vóór de urine over de enkels en de amputatie van de benen uit.’
Het lijkt allemaal heel humaan, verlicht en reuze beschaafd, maar kleven er – vraagt Otten zich af – niet allerlei angstaanjagende complicaties aan?
Want wat is bijvoorbeeld precies ‘bijtijds’? En hoe gaan we dan denken over wie niet ‘bijtijds’ is doodgegaan? Is zo iemand dan opeens onbeschaafd en onverlicht bezig? Otten refereert aan zijn broer, die ‘zo willoos en anti-autonoom bezig is geweest dat hij nu zijn dood als gevolg van complicaties van zijn diabetes gerolstoeld tegemoetgaat. Hij zal hardop of in zichzelf moeten verdedigen waarom hij nog leeft, nu de zelfbeschikkers niet meer hoeven uit te leggen waarom ze dood willen. Waarom is hij niet net als zij klaar met leven?’

Ottens broer brengt meteen mijn eigen zus in gedachten. Zij voelde zich om haar geestelijke krakkemikkige rolstoelbestaan vaak zo schuldig om wat ze de samenleving met haar medicijnen, opnames en uitkering wel niet ‘kostte’. Een gedachte die haar toch al suïcidale stemming misschien extra voedde.
Is het denkbaar dat mensen zoals mijn zus of Ottens broer – mensen dus waaraan iets hapert, die iets mankeren – zich onder invloed van zo’n almaar breder gedragen ‘beschaafde levenseindenorm’ steeds ongemakkelijk gaan voelen? Dat zij zeg maar van buitenaf bijtijds een steeds steviger sterfdruk gaan ervaren?

Een afschuwelijk en juist helemaal niet zo beschaafd idee lijkt me dat.

Wil je reageren? Dat kan via contact.