Knipbeurt

23 februari 2020

Ik heb Hortensia een knipbeurt gegeven. Beetje vroeg misschien, maar het was hard nodig. Wat wil je, alles is vroeger dit jaar.

Haar droge, bruin verkleurde bollen stonden weliswaar nog fier overeind. Ze hielden zich groot, maar schijn bedriegt. De broze, verschrompelde uiteinden van de takken spraken andere taal, die gingen duidelijk gebukt onder hun gewicht. Terwijl vlak daaronder kakelvers groen leven te trappelen staat. Hortensia, ze heeft er duidelijk zin in!

En dus heb ik de schaar er maar in gezet. Een voor een dood leven voor nieuw leven weggeknipt. Behoedzaam, als de gespeten haarpunten uit een gezonde bos haar.

Ik heb ze nog één keer vriendelijk bedankt voor de bewezen diensten in het afgelopen jaar. Daarna heb ik de boel bijeen geveegd, en opgeruimd.

Resultaat: twee emmers voltooid leven.

Liefde als sleutel

11 december 2017

Onlangs kwam ik in het boek Mijn heldere afgrond van Christian Wiman het volgende fragment tegen over rouw. In heel zijn confronterende waarachtigheid tegelijkertijd zo zacht en troostrijk, waar de liefde ons enige antwoord op verlies is:

‘Op de een of andere manier, zelfs diep in het binnenste van extreme rouw, is de ergste pijn het weten dat je pijn zal overgaan, alle scherpe bijzonderheden die iemand aanwezig hebben kunnen stellen, zullen opgaan in zuivere herinnering, en vervolgens zelfs dat niet. Daarom vechten veel mensen ervoor om hun wond vers te houden, want in de wond is tenminste het verlies, en in het verlies is tenminste het leven dat je deelde. Of zo lijkt het.
In werkelijkheid werd het leven dat je deelde, omdat het gedeeld werd, getekend door geluk, door licht. Gewiegd door eenzaamheid, wordt het leven zuiver verdriet, zuiver schaduw, en dat is niet simpelweg een probleem voor het heden en de toekomst, maar ook voor het verleden. Excessief verdriet, van de soort die iemand verlamt, en die uiteindelijk iemands hele persoonlijkheid wordt – doet uiteindelijk geen recht aan de liefde die er de oorsprong van is. (Is, niet was: onze doden zijn aanwezig.) Je hoeft niet te geloven in een letterlijke hemel om te voelen hoe de doden intrek in ons nemen – voorgoed, als we hen toelaten, wat wil zeggen, paradoxalerwijze, als we ze laten gaan. […] Wat ik weet of voel, is dat binnen de liefde die eens de wereld voor je geopend heeft – vanaf de geboorte van een kind, tot het vinden van je partner – een sleutel is waarmee je weer terug de wereld in kunt, wanneer de liefde is heengegaan.’

(Uit: Mijn heldere afgrond van Christian Wiman, p. 172-173)

Helpende hand

7 juli 2017

Ze spreekt haar dode dochter, zo lijkt het soms, misschien zelfs vaker dan bij leven. In een eigen taal vol raadselachtige tekens, symbolen, kleuren en getallen vinden ze elkaar daarin. Het is een taal die geen boodschap heeft aan de dood, ze houdt zowel haar dochter als zichzelf ermee in leven, in een soort tussenbestaan.

Sinds de zelfdoding van haar kind is haar eigen leven uit een andere stof geweven: zwaarder en donkerder dan voorheen, en van een stevige draad omdat een fijnere het zou begeven.

De laatste paar jaar vullen schelle, vrolijke kleinkinderstemmetjes wekelijks haar huis. Hoe blij en dankbaar ze ook is om dit nieuwe geluk in haar leven, het lukt haar niet er vrijuit van te genieten. Haar vreugde echoot haar verdriet. Te hard leerde ze misschien de kwetsbaarheid van geluk kennen. Te goed herinnert ze zich hoe je ruw uit handen kan worden geslagen wat je zo innig lief hebt gehad. Het is of ze het licht in haar leven niet goed meer kan verduren. Of misschien vindt ze dat ongepast, trouw als ze is aan haar rouw en haar dochter.

Op een avond brengt ze een oude vakantiefoto mee. Het is een ontroerend beeld van haarzelf en haar drie kinderen, uit betere tijden. In een mooi landschap zie ik haar staan: tot aan de knieën in het water, licht voorovergebogen, een beetje wankel en onzeker. Naast haar, iets hoger op de kant, staat haar overleden dochter. Stevig op haar benen. Niets aan haar verraadt de psychische nood die haar te wachten staat. Ze ziet er jong en stralend uit. Liefdevol reikt ze haar moeder een helpende hand vanaf de oever.

Het beeld raakt me. Het is of ik de dochter in het uitreiken zachtjes iets hoor fluisteren. Hier en nu, in de ruimte waarin we ons samen bevinden. Alsof ze zegt: ‘Toe nou, lieve mama, kom nu maar. Je hebt daar lang genoeg gestaan. Hier, pak mijn hand, dan help ik je de kant op, terug het leven in.’

Wil je reageren? Dat kan via contact.

 

Coco Chanel

11 mei 2017

In haar tengere lichaam huist een enorme levenskracht. Een moedige, niet stuk te krijgen liefde voor het leven, hoeveel lelijke klappen datzelfde leven haar ook geeft. Vastberaden richt zij zich telkens weer op, en volgt ze de oersterke draad van haar hoop.

Ze is sinds kort, bijna veertig jaar oud, officieel wees: dochter nu van een vader én een moeder die zelf uit het leven zijn gestapt omdat ze geen uitweg meer zagen. Vader ruim twintig jaar geleden, moeder nog maar kortgeleden.
Of was zij – op een andere manier – al veel langer wees? Met haar vader verloor ze destijds immers ook haar moeder? Blijven was geen optie, de kinderen werden uit huis geplaatst.

Dapper zocht ze ook toen al eens haar eigen andere koers door het leven. Ze vond een passende opleiding, een leuke baan, een lieve kat, en ze vond de man van haar leven met wie ze twee kinderen kreeg. Moeder hield ze al die tijd op gepaste afstand. Uit zelfbescherming.

Tot een tijdje terug, toen ze een telefoontje kreeg dat haar moeder was opgenomen na een ernstige zelfmoordpoging. Vanuit een nooit helemaal uitgedoofde hoop op een betere relatie zocht ze haar daar veelvuldig op. Zou dit dan moeders ingewikkelde tij kunnen keren? Zou ze nu eindelijk gaan inzien dat ze hulp nodig had?
Maar nee, het ging allemaal anders. Niet veel later zag moeder alsnog kans zich van het leven te beroven.

Voor de tweede keer schokt een zelfdoding van zeer nabij haar tot diep in haar tengere botten. Moeders dood wekt de oude pijn om vader tot leven. Hun nu ‘dubbele zelfmoord’ werpt in haar heden de zwarte schaduw van een levensgroot vraagteken boven haar eigen bestaan. Ze had het zo goed op orde, maar ís dat wel zo? Vragen als ‘wie ben ik zelf dan, als kind van deze ouders?’ en ‘Wat geef ik er mogelijk van door’ steken hun angstaanjagende kop op. Twijfel slaat toe en maakt haar woedend, bang en onzeker. Zo nu en dan zakt ze door haar zo zorgvuldig opgebouwde bodem. Gaat ze kopje onder.

Maar steeds komt ze boven. Snakkend naar adem soms, maar ze komt. Dankzij die sterke draad van haar hoop. Daar hijst ze zich aan op, omhoog, terug haar lieve leven in.

Coco Chanel. Daar doet ze me aan denken. Niet alleen omdat dit de ontwerpster is van het parfum dat haar met moeder verbindt: ze houden van hetzelfde geurtje.
Nee, meer als een geuzennaam.
Coco Chanel.
Nog zo’n dappere wees die zich – ondanks de slechte start – strijdvaardig een weg door het leven wist te banen.

Wil je reageren? Dat kan via contact.

 

Mater Dolorosa

12 april 2017

Het is bijna Pasen, de tijd van dat oeroude verhaal over lijden en opstaan, dood en leven, verdriet en hoop.
De afgelopen maanden leerde ik een moeder kennen die haar zoon verloor door zelfdoding. In haar intense verdriet om zijn dood doet ze me denken aan de moeder uit dit oude verhaal: aan de Mater Dolorosa, de Bedroefde Moeder, die weent om haar zoon aan de voet van het kruis. Eerder, zo gaat het verhaal, verbeet zij haar tranen nog, om haar zoon op zijn zware kruisweg niet met haar verdriet te belasten.

Zowel in het verbijten als in het de ander niet willen belasten doet deze moeder me aan de Mater Dolorosa denken. Ze werkt zo hard tegen de stroom in. Ze sjouwt symbolisch met zandzakken op haar rug, bang voor het moment waarop haar dijken zullen breken. Ze heeft allerlei bypasses aangebracht rond haar diepbedroefde hart. Omleidingen, uit lijfsbehoud, die haar tijdelijk in staat stellen om de pijn van het verlies heen te leven. Zo is er bijvoorbeeld de omleiding van haar werk. Of die van een reis naar ver en lang van hier. Of die van lichtpuntjes op haar weg. Of van zorg en aandacht voor anderen. Al dat werk leidt haar weg uit haar verwonde binnenste. Dat is goed, en dat is nodig. Tegelijkertijd put het haar zichtbaar uit.

Zij zelf kwam met het beeld van een brandslang met een knik erin. Die knik blokkeert de krachtige stroom van het water, er komt niks meer doorheen. Ze durft daar niets aan te doen, doodsbenauwd als ze is voor de druk daarachter, voor de verwoestende kracht van de stroom van het water die haar en hele bestaan omver zal spoelen.

Toch vindt ze gaandeweg de moed om de slang zo nu en dan behoedzaam op te pakken. Daarmee geeft ze de knik net dat beetje speling waardoor er een kleine opening ontstaat waarlangs haar tranen weg kunnen stromen. Voorzichtig geeft ze ze meer en meer ruimte, totdat de knik in de slang uiteindelijk verdwijnt. En zie: ze is er nog, het water spoelt haar niet omver.

Verdriet is – daarom vind ik dit beeld zo mooi – als water: geen mens houdt het tegen, het zoekt en vindt altijd wel een weg.
En het is geduldig, het laat zich niet blijvend verbijten. Het wacht net zo lang tot het komen mag, want het weet van zichzelf dat het geen kwade bedoelingen heeft.
Integendeel: verdriet om verlies kan de pijn juist verlichten. Onze tranen voorkomen dat we erin verharden of verbitteren. Ze houden ons vloeibaar.
Zacht en kwetsbaar, als een Mater Dolorosa.

Wil je reageren? Dat kan via contact.

 

Hou je haaks?

5 april 2017

Ik heb het altijd een bijzondere rare uitdrukking gevonden: Hou je haaks!, als afscheidsgroet aan het eind van een goed gesprek waarin je je juist net van je meest kwetsbare, zachte kant hebt laten zien.
Je had het moeilijk maar dankzij vriendelijke oren durfde je jezelf daarnet te openen. Je deelde je zorgen, verdriet of pijn met de ander. Daar liep je al een hele tijd in je eentje mee rond. En ook vandaag moest je iets overwinnen om ermee te komen, want het kan soms heel griezelig aanvoelen om open en bloot van binnenuit te spreken.

Maar goed, je deed het, dankzij die ander, en het bracht je alleen maar goeds. Ook al moest je huilen, het gesprek luchtte je op, en je tranen spoelden de boel schoon. Nu voel je je stukken beter, wat doet echt contact een mens toch goed. Zo fijn om je eens niet flinker of groter te houden dan je je voelt. Dat zouden we vaker moeten doen! In de herkenning voel je je zo veel minder alleen.

Je neemt dankbaar afscheid, en dan komt opeens dat rare slotadvies: ‘Ja, tot gauw hoor, en hou je haaks!’
Haaks?
Het klinkt zo kil, zo hard en onbuigzaam opeens. Koud als ijzer of staal. En helemaal haaks op wat je daarnet juist hebt mogen ervaren.

Wil je reageren? Dat kan via contact.

 

Met twee maten meten

4 februari 2017

Mijn zus besloot in 2009 te stoppen met leven. Ze vond het genoeg, dat leven, of in elk geval het lijden aan depressies dat ermee gepaard ging. Met voldoende opgespaarde pillen maakte ze er zelfstandig een eind aan. Sinds mensenheugenis noemen zo’n zelfgekozen levenseinde zelfmoord. Of – dat klinkt wetenschappelijker en daardoor wat afstandelijker – suïcide. Of – dat klinkt minder oordelend en daardoor minder hard – zelfdoding. Maar welke naam je er ook aan geeft, het is en blijft – zelfs vandaag de dag – nog altijd een manier van doodgaan die in het taboehoekje zit. Achterblijvers weten daarover mee te praten. Wie openlijk de toedracht van deze dood noemt, stuit bij de omgeving vaak op schrik, afschuw en ontzetting.

Tegelijkertijd kent onze samenleving een snel groeiend aantal ‘gezonde’ mensen – mensen dus die lichamelijk of geestelijk niets terminaals mankeren – die het eigen leven als ‘klaar’ of ‘voltooid’ beschouwen. Net als mijn zus vinden ze het genoeg, om wat voor persoonlijke reden dan ook, en zij willen zélf over het moment van sterven kunnen beslissen. Dat wil zeggen: via een verruiming van de wet willen zij voortaan ook in aanmerking kunnen komen voor een zachte dood in de vorm van euthanasie. Refererend aan hun autonomie en zelfbeschikking pleit men voor wettelijk toegestane hulp door een dokter, die hun het juiste dodelijke drankje of spuitje verschaft als het moment daar is. Bijkomend voordeel: dit zelfgekozen moment waarop het ‘genoeg’ is lijkt dankzij de wet en de hulp meer op ‘euthanasie’. Dat is prettig, want anders dan zelfdoding wordt die vorm van doodgaan inmiddels wél breed geaccepteerd in onze samenleving.

Hier schuurt het voor mij – achterblijver van een zelfdoding – soms toch een beetje. Met de beste wil van de wereld kan ik maar geen wezenlijk verschil zien tussen het ‘genoeg’ van mijn zusje en dat van deze even zelf beschikkende groep. Maar in onze reactie erop en in het maatschappelijke debat erover is het net of er opeens met twee maten wordt gemeten. Het ene ‘genoeg’ is omgeven met taboe, het andere mag op ons begrip en onze instemming rekenen.
Het is denk ik om die reden dat de kop boven het essay van Annemarieke van der Woude in Trouw me vanmorgen ineens zo aansprak: ‘Noem die euthanasie liever zelfdoding’.

Wil je reageren? Dat kan via contact.

 

Eén deur

28 december 2016

De dood en het leven horen voor mij bij elkaar. Samen vormen ze een en dezelfde werkelijkheid. Vanaf het moment dat ik dit leven in stapte, droeg ik de dood al in een rugzakje mee. Er komt immers onvermijdelijk een dag waarop ik er ook weer uit zal verdwijnen.

Heel prachtig verwoord vind ik dit gegeven in een tekst van Elie Wiesel uit 1966:

Afscheid is net zo’n mysterie als een ontmoeting. In beide gevallen gaat een deur open. Bij een ontmoeting gaat de deur open naar de toekomst, bij scheiding gaat zij open naar het verleden. Het blijft dezelfde deur.

Ik voel veel instemming bij dit citaat door hoe ik de geboorte en dood van de ander in mijn leven ervaar. Dat het in beide gevallen om één en dezelfde deur gaat.

Tweede Kerstdag keek ik lang in de heldere ogen van het allereerste kleinkind van goede vrienden. Ik kan op zo’n moment niet anders dan diep verwonderd zijn, vol ontzag voor zo veel mysterie in of achter die twee prachtige jonge peuterogen. Wie ben jij? Waar kom je – los van het gemakkelijke antwoord – vandaan? Door welke deur stapte jij dit aardse bestaan binnen?

Gek genoeg ervaar ik precies datzelfde gevoel van ontzag voor mysterie aan de andere kant, aan het eind van een leven. Toen ik keek naar mijn overleden vader, mijn moeder, mijn zus, een goede vriend was ik net zo verwonderd. Zo intens vertrouwd, zo’n lichaam, en tegelijk zo volkomen vreemd en leeg toen zij eruit verdwenen waren.
Wie of wat, welk mysterie, bewoonde dat lichaam? Waar ging het naartoe? Door welke deur?

Wil je reageren? Dat kan via contact.

 

Wij tweetjes en meer

9 november 2016

Mijn allerliefste tante is overleden. Bijna negentig werd ze. Vlak voor haar dood zocht ik haar op, in het Deventer ziekenhuis. De volgende dag zou ze naar huis gaan, want revalideren, dat wilde ze niet. Euthanasie evenmin. Dan maar niet meer eten, want genoeg is genoeg.

Als ik haar eenpersoonskamer binnenstap schrik ik nogal: tante ligt helemaal haaks in bed, half over de rand hangt ze, met één hand vastgeklonken aan de papegaai boven haar bed, alsof ze op zoek is naar iets op de grond. Met haar vrije hand maakt ze wilde gebaren, en ze praat tegen ik heb geen idee wie. Tante schrikt net zo hard van mij als ze me ziet. Moeizaam hijst ze zich terug de kussens in.

We zijn allebei nog een beetje aan het bekomen als de dokter binnenstapt, samen met een collega. Hij geeft eerst mij en daarna tante een hand en zegt dan vriendelijk: `Het is allemaal geregeld, mevrouw, u mag morgenvroeg met de ambulance naar huis.´ Daarna overlegt hij nog wat met zijn collega, over tantes bed heen, en dan verdwijnen ze weer.

Ze staart me beduusd aan. Lijkt in de war. Van mij, aan haar bed, van de dokters, van die boodschap. Door alle commotie heb ik haar nog steeds niet dag gezoend. Eerst maar eens een stoel aanschuiven naast haar bed. Nu kijkt ze me pas echt goed aan. `Lies?? Maar de meisjes zouden komen! Ik ga vandaag naar huis!’ Ik leg haar rustig uit wat ik vanmorgen van haar dochter heb begrepen. Dat het allemaal een beetje veranderd is, dat ze pas morgen gaat omdat er thuis nog wat moest worden voorbereid.
Dan onderbreekt ze me ineens, en zegt verontwaardigd: `En wordt er tegenwoordig niet meer gezoend?’ Ik lach, pak haar beet bij haar knokige schouders, en zoen haar op haar ingevallen wangen zoals wij dat gewend zijn, zij het wat voorzichtiger, vanwege het plastic neusbrilletje met zuurstof dat toch al gevaarlijk scheef in haar neusgaten bungelt.

Uiteindelijk zit ik twee uur aan het bed van mijn tante. Zij, zo lijkt het, verkeert die uren in twee verschillende werkelijkheden tegelijk: in de onze, en in een heel andere, waar ik niet in pas. Alsof ze met één been al is overgegaan.

Is ze in de mijne, dan is alles gewoon. Tante spreekt in volkomen heldere woorden en zinnen. Over vroeger. Over haar ziek zijn nu. Over die kapotte telefoon thuis. Met een loep kijken we samen naar een paar foto’s van vroeger die ik voor haar heb meebracht. Over de lol die we hebben gehad. Over dat ze zo’n goed leven heeft gehad. Over het paradijs waar ze nu naartoe gaat, en waarvan ze niet snapt dat iemand daar bang voor zou kunnen zijn. Tussendoor geef ik haar een beetje water uit haar tuitbeker voor haar droge mond. Ze heeft liever een rietje, zegt ze, zoek maar, daar, in het laatje. Soms wrijft ze te wild langs haar neus, dan moet ik haar brilletje terugzetten, want zonder zuurstof gaat ze dood, grapt ze. Met onverwachte kracht geeft ze zo nu en dan een stevige slinger aan de papegaai boven haar hoofd. Alles precies zoals ik haar ken.

Maar tussendoor dwaalt ze elders. Dan tuurt ze door het raam naar het groene weiland met de paarden – kijk toch eens hoe prachtig daar, dat paradijs! Heel vaak houdt ze haar blik strak gericht op het plafond, of misschien – ik weet dat niet – wel op iets daar dwars doorheen. Hoe dan ook, wij tweetjes lijken die middag geregeld met veel meer, daar in die kleine ziekenhuiskamer. En zij, zij ziet ze allemaal. Alle geliefde dierbaren die haar – korter of veel langer geleden – zijn voorgegaan in de dood en die ze zo verschrikkelijk heeft gemist. Ze zijn er opeens, en ze praat ertegen, kijkt naar taferelen die ik niet kan zien. Zo vraagt ze bijvoorbeeld opeens bezorgd aan mijn allang overleden vader: `Ab, heb jij geen last van die rook?’ Tevergeefs kijk ik mee, maar ik zie niks. Dat zeg ik haar, dat zij veel meer kan zien dan ik, nu. Ze lacht me toe: `Inderdaad, want je denkt toch zeker niet dat ik gek ben?’ Soms zit ik in de weg, dan vraagt ze of ik een beetje op kan schuiven, zodat ze ook haar zus kan zien. Dan weer fronst ze moeilijk haar voorhoofd, alsof ze in deverte iets probeert te lezen. Ik vraag haar wat ze ziet. `Een bordje’, zegt ze, ‘met Kom nu maar gauw.’

Tante kijkt me plotseling bezorgd aan. `Lies, ik ben zo ontzettend bang dat de meisjes mijn huis nu voor niks in orde maken, dat ik morgen waarschijnlijk niet eens meer haal. Ik heb vandaag al twee keer heel sterk dat gevoel gehad van, oeps, daar ga ik!’ Het klinkt helemaal niet eng, hoe ze dat zegt. Eerder opgewonden en nieuwsgierig, alsof ze in blijde afwachting is van wat komen gaat. Als een kind, dat voor het eerst de glijbaan af mag, oeps, haar paradijs in.

We nemen afscheid. Ze drukt me op het hart dat ik Willem moet groeten. ‘Niet vergeten, hoor!’ Ik beloof het haar, en ik vraag of zij dan op haar beurt iedereen daarginds mijn lieve groeten wil doen. Dat zal ze, verzekert ze me.

Ik kan geen verdriet voelen als ik haar kamer uit loop. Hooguit weemoed, van alweer een verhaal dat definitief uit is straks. Tegelijkertijd tilt haar rotsvaste vertrouwen op een prachtige toekomst me een beetje op. Ik put er op een bepaalde manier troost uit, ook al is haar geloof heel anders dan het mijne. En voor de rest kan ik haar alleen maar toewensen dat het gauw zover mag zijn.

De volgende ochtend krijg ik een telefoontje. Tantes voorgevoel bleek te kloppen. Die nacht is ze in haar slaap en in het bijzijn van ‘haar meisjes’ vredig weggegleden.

Oeps, daar ging ik, Lies, hoor ik haar zachtjes fluisteren.

Dag lieve tante, fluister ik terug.

Wil je reageren? Dat kan via contact.

 

Het wel en wee van missen

13 oktober 2016

Missen heeft tegenwoordig iets dubbels voor mij: ik ervaar het als prettig en pijnlijk in-een. Het doet een beetje denken aan ‘heim-wee’ misschien, dat die twee letterlijk in zich herbergt: de zoete herinnering aan een thuis of heim, én het wee van niet of nooit meer.

Een voorbeeld van missen.
Soms mis ik onze telefoontjes. Dan kan ik er opeens naar hunkeren dat ik haar nog één keertje bellen kan. Of zij mij. Zomaar, zoals we dat zo vaak deden, ook of juist als er niks te bellen viel. Ik mis dan dat gewone, vanzelfsprekende contact.
Bij gebrek aan beter haal ik ze op zo’n moment dan maar voor de geest, die telefoontjes van toen. Ik stel ze me zo levendig mogelijk voor: hoe de telefoon overgaat, hoe het tijdstip al verklapt dat zij het wel zal zijn, hoe ik dat pas zeker weet als ik haar nummer herken en opneem – hoi Liesje – hoe we lang kletsen over alles en niks.

Langs de weg van de verbeeldende herinnering brengt het missen me zo moeiteloos terug naar waar de dood nog niet meedogenloos tussen ons in stond. Ik fantaseer hem weg, de dood, net als de tijd, de jaren die sindsdien al zijn verstreken. Voor een moment zijn ze er niet, en dat is heerlijk. Gulzig laaf ik me aan wat ik mis.
Net zo lang tot ik ze bijna kan horen: haar stem, haar lach.

Bíjna …

Wil je reageren? Dat kan via contact.